Lees hier mijn verhalen

Zien in het donker

 

Ach, schatje van me, je hoeft niet zo te huilen. Ben je wakker geschrokken en kan je nu niet meer slapen? Kijk nou toch eens, zit je daar rechtop in je bedje met grote schrikogen naar het donker te staren! Wacht, ik til je even op. Kom maar dicht tegen me aan, dan merk je vast dat donker niet eng is, zelfs niet met je ogen open. Zoooo, ja, zo is het goed, vind je niet? Ja, doe je oogjes maar dicht.

Weet je, met jou zo tegen me aan besef ik: ondanks alles wat er de laatste tijd is gebeurd, voel ik me toch nog meer thuis in het donker dan in het licht. Eigenlijk is het gek dat het donker ons af en toe aanvliegt. Als je het goed bekijkt hebben we het dikwijls veel meer te kwaad met het licht. Van 's ochtends vroeg, als we in de spiegel kijken en denken 'Ben ik dat? Ik zie er niet uit!' tot 's avonds laat als we in dezelfde spiegel de kringen onder onze ogen zien.

In feite zoals nu. Ik til je uit je bedje, houd je troostend in m'n armen, maar wel in het donker. Dat geeft een geborgen gevoel. Het licht doe ik per se niet aan. Dat is me veel te fel. Waarom zou dat zijn? vraag ik me af.

Ik denk dat licht te confronterend is. Het is hard en ongenuanceerd. Licht gaat onverschillig zijn eigen weg, botst tegen je op zonder sorry te zeggen. Het kwetst; je krijgt er kanker van.

En donker? Tja, als geen ander weet ik dat het donker ook zijn eigen bedreiging kan hebben. Maar toch heb ik donker bijna altijd ervaren als zacht. Het zoekt je op en omhult je als een warme wollen mantel in de winter. Daarom sta ik op dit moment in het donker met m'n armen om je heen zachtjes tegen je aan te fluisteren over dingen die mij bezig houden, en jou gelukkig helemaal niet. Zo voelt het ondanks alles goed. Door jou, en zeker ook om jou, wil ik juist het geborgene van donker proberen vast te houden. Als we dat niet meer hebben, wat blijft er dan nog over?

Het gekke is, we zoeken in het licht, in het donker vinden we elkaar. Licht, weet ik uit eigen ervaring, legt onbarmhartig bloot, donker bedekt, met de mantel der liefde.

Jij bent in het donker verwekt.

Ik ben benieuwd hoe jij straks het donker in jouw leven zult ervaren. Hopelijk niet iets om van te schrikken, zoals daarnet toen je rechtop in je bedje zat, maar als een plek waar je je thuis voelt.

Toen je in mijn buik zat, had je het in het donker in ieder geval erg naar je zin. Je schopte niet, je sloeg niet, je bewoog niet druk. Je dobberde in de baarmoeder - mijn baarmoeder - heel relaxt, kan ik wel zeggen, totdat je tevoorschijn moest komen. 's Nachts had ik ook geen kind aan je. Van vriendinnen hoorde ik wel verhalen dat ze weer heel de nacht geen oog dicht hadden gedaan doordat de baby in hen almaar bewoog. Jij en ik, daarentegen, dreven in uiterste rust door de nacht heen. Het donker was iets van ons samen.

Pas toen je geboren moest worden maakte je een hele heisa. Ik zeg expres 'geboren moest worden', want voor mij was het duidelijk, je wilde gewoon niet naar buiten. Uiteindelijk kon je niet anders dan voor de dag komen, daar zorgden de artsen wel voor. Je zette het meteen op een brullen en hield je ogen in het begin stijf dicht, alsof je het donker wou houden en het licht niet wilde zien.

Mensen staan er niet zo bij stil, maar licht is eigenlijk gewoon een beperking. In het licht kijk je niet verder dan de einder. In het donker kun je oneindig ver kijken. Je kunt over je eigen horizon heen kijken. Ongekende vergezichten. En, jij zult het vast ook merken, dat doe je op den duur met steeds meer mensen, omdat je wereld steeds groter wordt en je die dan ook met steeds meer mensen zult delen. Zeker over een paar jaar, als je braille leert lezen.

Ik zal een van de weinige moeders zijn die haar kind aanraadt wél met de handjes te kijken.

Tja, hoe zal dat gaan...? Kom maar met je vingertjes, voel m'n gezicht maar even. Dan weet je een beetje hoe dat gaat. Voorzichtig hoor! Kijk, dit zijn mijn wangen. Lekker zacht, hé? En dit zijn mijn ogen, althans mijn oogleden. Ogen kun je beter niet voelen. Ja, dat is m'n neus. Ben ik best trots op. Je hebt het neusje van mij. En dit zijn m'n lippen. Ik zal ze even uitsteken. Eerst mijn bovenlip en dan m'n onderlip. Au, niet zo hard. Hard hoort bij licht. Donker is juist zacht.

Hier, probeer nog maar eens. Ik houd je handje wel vast.

Zooo ja. Zie je?

 

En toch, hoe ik me ook aan het mooie en geruststellende van donker blijf vastklampen, andere beelden dringen zich onverbiddellijk aan me op. Als ik voor me zie hoe je kort na je geboorte niet reageerde op het licht en besef wat je daardoor allemaal te wachten staat, cirkelt één vraag als een zaag bij mij door merg en been, door het diepst van mijn gevoel heen. Heb ik niet te vroeg, te veel en ook niet te lang al van het donker gehouden?